Valle d'Aosta


De Aostavallei, eerder klein als regio, kent een bijzonder rijk druivenaanbod. De aard van de aangeplante druivenrassen wordt mee bepaald door hun locatie in de vallei: hoe hoger (richting Mont Blanc), hoe koeler het wordt en hoe beter de witte druivenrassen floreren; hoe lager in de vallei (richting Piëmonte), hoe warmer het wordt en hoe gemakkelijker het is om laatrijpende rassen te verbouwen.

Hoewel de kleinste van de twintig Italiaanse regio’s, is de Aostavallei zeker niet onbelangrijk. Enerzijds vormt ze vandaag de dag een belangrijke toegangspoort tot de Italiaanse laars vanuit Zwitserland en Frankrijk, anderzijds is de regio een gewaardeerd wintersportgebied.

Tijdens de 19e eeuw bereikte de regio haar hoogtepunt op het vlak van wijn. Elke lap grond waar voldoende zonlicht op scheen, werd beplant met wijnstokken en steile bergflanken werden heraangelegd in terrasvorm. Op zeker moment bedroeg de totaal aangeplante wijnoppervlakte meer dan 3.000 hectare.

Vanaf 1900 en vooral na de Tweede Wereldoorlog kende de Aostavallei een minder rooskleurige periode voor de wijnbouw. Er ontstond een tekort aan landbouwkrachten door de sterke lokale opkomst van het industrialisme, dat veel winstgevender was. De totale oppervlakte van de wijngaarden viel terug tot een goede 500 hectare, een oppervlakte die tot op vandaag behouden blijft.